Tim Fransen – cabaretier en filosoof – bracht dit indrukwekkende en hoopvolle boek uit in 2024. Een jaar later ontving hij in de week van de filosofie de eervolle Socratesbeker. Sindsdien zijn de vrees voor en de kans op calamiteiten alleen maar toegenomen.  Het boek verwoordt de huiver die een ieder beleeft bij het aandachtig volgen van het nieuws.  Tegelijkertijd probeert Fransen een diagnose te geven van de tijd, de situatie en die vrees. Al lezend bekroop me een bijna existentiële angst. Maar hij sluit zijn boek af met een troostrijke epiloog: ‘Hoop in het Calamiteitperk’.

Vooruitgangsgeloof

Wat mij trof was dat Fransen een direct verband legt tussen de reële en dreigende calamiteiten enerzijds en een sterk vertrouwen in vooruitgang anderzijds.

Hij verwijst daarbij naar de mythe van Prometheus; diens geschenk aan de mensheid – het vuur – blijkt – zoals alle technologie – een tweesnijdend zwaard. De beschikbaarheid van vuur bracht leven en dood. Oppergod Zeus zag dit geschenk aan de mensheid als verraad van Prometheus en nam wraak op de mensheid. Hij stuurde Pandora naar de mensheid met een kruik gevuld met allerlei ‘kwaden en kwellingen’.

Vreemd genoeg bevatte deze kruik volgens Nietsche ook de hoop. Dus de verwachting van een beter leven, van vooruitgang, is volgens Nietsche een kwaad of kwelling. Binnen de christelijke traditie bestond de hoop op verlossing uit de verwachting van een eeuwig leven in een hiernamaals. Die hoop maakte de aardse ellende met ziekten, dood en verderf min of meer draaglijk, althans voor de mensen die zich uitverkoren waanden. Maar naarmate het geloof in een hiernamaals voor veel mensen zijn waarde verloor, verplaatste die hoop op verlossing zich naar dit aardse leven. De vooruitgang moest hier en nu gerealiseerd worden. De geschiedenis voltrekt zich ‘in de richting van belabberd naar alsmaar beter’.

Het grote verhaal van de vooruitgang zette zich rond 1750 in. Een steeds groter deel van de wereld ontsnapt min of meer aan  de chronische ellende (armoede, ziektes, kindersterfte etc.). Welvaart, geletterdheid en gemiddelde levensverwachting nemen gestaag toe; ondervoeding en kindersterfte nemen juist af.  Na 1950 kwam deze ontwikkeling in een stroomversnelling. Uiteraard is dit een onvolledige schets van de werkelijke geschiedenis. Het verhaal kent winnaars en verliezers, het verhaal verloopt ook schoksgewijs.

Vooruitgangsideologie

Dit vooruitgangsverhaal leidde – ontdaan van zijn religieuze inbedding – volgens Fransen tot een vooruitgangsideologie. Fransen definieert het begrip ideologie in navolging van Thomas Piketty als een ‘poging om oplossingen te bieden voor buitengewoon veelomvattende vraagstukken omtrent de wenselijke of zelfs ideale organisatie van de samenleving’. Hij wijst op drie instituties die deze ideologie stutten: de wetenschap (kennis en technologie), de vrije markt economie en de liberale democratie. Dit grote verhaal leek bekroond te worden met de val van de communistische en centraal geleide Sovjet-Unie die – terzijde – een eigen verhaal van vooruitgang kende.

De drie instituties brachten en brengen zeker geen heil voor alle mensen. Ook de aanhangers waren doordrongen van de ervaring dat het zuur vaak voorafging aan het zoet. Dat gold ook voor de schaduwzijden van de vooruitgang: uitbuiting en uitsluiting, verstoring van natuur en milieu, etc. Maar keer op keer geloofde men in  de heilzame werking van de drie instituties. Een volgende generatie zou het beter krijgen; dat was de belofte en dat hield de mensen op de been.

De sinds 1750  gerealiseerde vooruitgang was goed beschouwd een ruig proces, met pieken, dalen en ravijnen: revoluties en contrarevoluties, pandemieën, oorlogen en genocides. Desondanks bleef het vooruitgangsgeloof in stand, althans in de zogenoemde eerste wereld. Dit geloof ging zelfs zover dat men aannam dat de drie instituties ook heilzaam zouden zijn voor heel de wereld (universalisme). Zeker na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie was de overtuiging dat er geen alternatief voor het liberale vooruitgangsmodel was. Dit leidde in het laatste decennium van de 20ste eeuw tot een vlaag van optimisme met o.a. de grote thematische VN conferenties met doelstellingen en actieplannen. De weg leek even vrij om alle problemen uit de wereld te helpen.

Flarden van deze vooruitgangsideologie zie ik nog in het werk van Hans Rosling die keer op keer wijst op de gerealiseerde vooruitgang in de wereld. Zijn waardevolle boek lees ik als een reactie op allerlei van een apocalyptisch ondergangsgeloof. Ook Rob Wijnberg (De Correspondent) probeert in reactie op allerhande complottheorieën een hoopgevend verhaal over vooruitgang te verkondigen. Zijn boek is het lezen meer dan waard.

Barsten in het vooruitgangsgeloof

Dit optimisme werd en wordt tegengesproken door de klassieke schaduwzijden: persistente armoede, regionale en binnenlandse gewelddadige conflicten en verdergaande verstoring van klimaat en natuur. Maar er was meer aan de hand. De dominante liberale vooruitgangsideologie zelf bleek minder universeel dan de voorstanders hadden gedacht. De politieke Islam en de Russische, Turkse en Chinese autocratieën hanteerden andere ideologieën of ontwikkelingsmodellen. Ondanks alle pogingen om hen te integreren in de liberale wereldeconomie en het internationale rechtssysteem, kozen ze voor eigen wegen. De drie pijlers van de liberale vooruitgangsideologie brokkelden af. Het wetenschappelijke waarheidsbegrip kreeg concurrentie van ‘alternatieve waarheden’, een bizarre mengeling van meningen, wanen en bedrog. De liberale democratie en de daarmee verbonden rechtsorde kregen niet alleen te maken met zich manifesterende alternatieven, maar kampen ook met een geloofwaardigheids- of vertrouwensprobleem. De vrije markt economie is mede onder invloed van het neoliberalisme een macabere speeltuin geworden van en voor techmiljardairs en aandeelhouders. Waar idealiter de samenleving en de overheden de kaders bepaalden voor het vrijemarktmechanisme en zorgden voor inkomensherverdeling, dreigen overheden binnen het neoliberalisme ondergeschikt te zijn aan de ontketende krachten autocratische ondernemers en politici.

De teloorgang van een gedeeld geloof in vooruitgang is niet alleen zichtbaar in de wanen van de autocratische ondernemers en politici. Ze koersen af op zelfbehoud (desnoods digitaal), beschermde woningen op geïsoleerde plaatsen (desnoods op Mars); ze ontwikkelen hun vluchtplannen. De teloorgang heeft ook gevolgen voor het welbevinden van de bevolking en voor de samenleving: gevoelens van onzekerheid en zinloosheid, waanzinnige ideeën over complotten en benoemen van zondebokken.

Hoop in het calamiteitperk

Tim Fransen sluit zijn boek af met een epiloog: hoop in het calamiteitperk.  De lezers zijn bijna 300 pagina’s overstelpt met tal van dreigingen en hun diepe – structurele – oorzaken. Presenteert hij dan na de ellende de verlossing? Misschien, maar niet op een troostende wijze.

Fransen relativeert om te beginnen de uitdrukking ‘hoop doet leven’.  Hoop kan – zo betoogt hij in navolging van Albert Camus – kan een vlucht zijn uit het hier en nu. Een vlucht naar een hiernamaals of naar een utopie. Hoop kan ons afleiden van het handelen, zo stelt hij in navolging van Hannah Arendt. Vervolgens stelt hij de vraag hoe geloofwaardig en hoe constructief een optimistische dan wel een pessimistische houding is. Zonder nu in detail te treden, zet Fransen sterk in op het argument dat beide houdingen ten onrechte uitgaan van de veronderstelling dat de toekomst vastligt en kenbaar is. Voor hem is de werkelijke tegenstelling niet die tussen optimisme en pessimisme, maar tussen een actief en een passief optimisme/pessimisme. Zijn voorkeur gaat uit naar een actieve houding, dat wil zeggen de calamiteiten onder ogen zien en hier en nu tot handelen overgaan.  Hij onderkent de gerealiseerde vooruitgang ten volle en hij ziet de schaduwzijden van die vooruitgang.

Hoop gaat niet over de waarschijnlijkheid  maar over de mogelijkheid van een goede uitkomst van een handeling. Hoop heeft wat dit betreft juist van doen met een radicale onzekerheid over die uitkomst. Wat wel weer zeker is, is de kwetsbaarheid en de eindigheid van de dingen en van het leven. Maar juist deze zekerheid inspireert tot een ‘besef van urgentie, nederigheid, prioriteit,  dankbaarheid, verwondering en waardering’. Ongewild en onbedoeld – zo lijkt het – beweegt Tim Fransen zich in een welhaast religieus of spiritueel taalveld.

Het is daarom de hoogste tijd het vooruitgangsgeloof te vervangen door een nieuwe vorm van – collectieve – hoop; een hoop die … voortkomt uit het besef hoe ontzettend kwetsbaar [de beschaving] is, en die ons de opdracht geeft – en de wil – om ons erover te ontfermen … een hoop die ons als burgers inspireert om op te staan tegen onrechtvaardigheid, ook als dat onrecht niet direct onszelf raakt … In dit alles ligt een vorm van hoop besloten die ons nooit kan worden afgenomen: de mogelijkheid om te kunnen  kiezen tussen goed en slecht. Het zijn dat soort keuzes die er in onze tijd alleen maar meer toe zullen doen.

Tegen deze slotwoorden kan ik alleen maar ja en amen zeggen!